“En, slaapt ie al door?”
Waarschijnlijk is dit één van de meest gestelde vragen wanneer je een pasgeboren kindje hebt. Vaak wordt die vraag zonder enige bedoeling gesteld, gewoon uit interesse of uit gewoonte. Toch kan het ongemerkt voelen alsof je iets niet goed doet wanneer je ‘nee’ moet antwoorden.
In werkelijkheid heb je maar weinig invloed op het moment waarop een kindje gaat doorslapen. Dat hangt van ontzettend veel factoren af, waarvan je het grootste deel niet kunt sturen.
Dus wanneer het kindje van je vriendin, buurvrouw of schoonzus wél doorslaapt, zegt dat niets over jou als ouder. Het maakt haar geen betere moeder en jou geen slechtere. Het betekent alleen dat jullie kindjes verschillend zijn. Volgens betrouwbare expertrichtlijnen van de overheid is de slaapontwikkeling van elk kind uniek.
Even terug naar de basis, want wat is doorslapen eigenlijk?
Voor de ene ouder betekent doorslapen dat een kindje van 19.00 tot 7.00 uur slaapt, terwijl een andere ouder het heeft over slapen vanaf de laatste fles tot de ochtend. En weer een andere ouder noemt het doorslapen wanneer hun kindje na iedere voeding weer verder slaapt.
Daarom ontstaat er vaak verwarring rondom de term doorslapen, want iedereen gebruikt er een andere betekenis voor.
Wanneer we het hier hebben over doorslapen, bedoelen we dat een kindje ongeveer 8 tot 12 uur achter elkaar kan slapen zonder hulp van een ouder. Veel kindjes maken tussendoor geluidjes of worden kort wakker, maar kunnen vervolgens zelfstandig weer verder slapen. Andere kindjes hebben hulp nodig om weer in slaap te vallen, bijvoorbeeld door voeding, een speen, een aai over de bol of nabijheid van een ouder. Op dat moment heeft je kindje jou nodig om verder te slapen en spreken we dus niet van doorslapen.
Slaaprijping betekent eigenlijk dat het slaapritme van je baby zich ontwikkelt en steeds “volwassener” wordt. Een pasgeboren baby slaapt namelijk heel anders dan een ouder kind of een volwassene. In de eerste maanden is slaap nog onrijp en wordt deze vooral gestuurd door voeding, lichamelijke behoeften en de ontwikkeling van de hersenen.
Bij een newborn bestaat slaap vooral uit korte slaapcycli. Je baby wordt regelmatig wakker om te drinken, omdat het maagje nog klein is en hij voeding nodig heeft om goed te groeien. Vanaf ongeveer 6 tot 12 weken begint langzaam een dag- en nachtritme te ontstaan. Het lichaam gaat meer melatonine aanmaken, het hormoon dat helpt om slaperig te worden. Veel baby’s gaan dan ’s avonds langere blokken slapen.
Rond de leeftijd van 4 maanden verandert slaap opnieuw. Dit wordt vaak de “4 maanden slaapregressie” genoemd, maar eigenlijk is het een grote stap in slaaprijping. De slaapcycli worden vanaf dat moment meer vergelijkbaar met die van volwassenen. Je baby slaapt lichter, wordt vaker kort wakker tussen slaapcycli door en moet leren om weer verder te slapen.
Tijdens slaaprijping kun je merken dat je baby:
vaker wakker wordt
onrustiger slaapt
moeilijker in slaap valt
kortere dutjes doet
meer behoefte heeft aan nabijheid
gevoelig reageert op prikkels.
Dat betekent niet meteen dat er iets mis is. Slaapontwikkeling verloopt met ups en downs en gaat vaak samen met sprongen, groei, tanden krijgen en nieuwe vaardigheden leren.
Allereerst is het belangrijk om te beseffen dat alle kindjes verschillend zijn en zich ieder op hun eigen tempo ontwikkelen. Er bestaan echt baby’s die vanaf de geboorte al lange nachten maken, terwijl er ook kinderen van vier jaar zijn die nog regelmatig wakker worden in de nacht. Dat zegt meestal veel meer over karakter, ontwikkeling en slaapbehoefte dan over het ouderschap zelf. Soms is het simpelweg een kwestie van geluk of pech hebben.
Gaat doorslapen niet vanzelf, dan kunnen baby’s het vanaf ongeveer 6 maanden leren. Dat betekent niet dat je tot die tijd niets kunt doen. Juist in de eerste maanden kun je al veel doen om je baby te helpen en een fijne, veilige basis rondom slaap te creëren. Denk aan regelmaat, passende wakkertijden, slaaprituelen en het leren herkennen van signalen van vermoeidheid. Wil je weten hoe je je baby direct kunt ondersteunen? Lees dan onze uitgebreide gids over baby slapen.
De eerste 3 maanden mag je nog niet verwachten dat je kindje door kan slapen. Wanneer baby’s geboren worden hebben ze nog geen dag en nacht ritme, waardoor ze zowel overdag als in de nacht veel slapen. Ergens rond de 6 weken ontstaat meestal een dag en nacht ritme. Daarnaast is het maagje van je baby nog klein waardoor hij niet voldoende kan drinken om langer te slapen.
Je baby gaat steeds meer in een ritme komen overdag. De korte hazenslaapjes worden over het algemeen minder en daarvoor in de plaats komen volwaardige slaapjes van 45/50 minuten of langer. Ook in de nacht kan je baby nu langere stukken van zo’n 4 uur aan een stuk slapen oplopend naar 8 uur bij 6 maanden. Vooral in het eerste deel van de nacht zal het slapen beter gaan. De slaapdruk is dan groter wat doorslapen makkelijker maakt.
Geen paniek wanneer rond de 4 maanden je baby ineens weer veel slechter gaat slapen. De ontwikkelingssprong rond deze leeftijd is een pittige en zet de wereld van je kleintje even flink op zijn kop. Grote kans dat je na de sprong weer heel veel vooruitgang ziet.
Vanaf 6 maanden kunnen de meeste baby’s 8 uur of langer aan een stuk slapen. Heeft je kleintje nog een avondvoeding nodig dan worden hij meestal rond 23.00 uur nog even wakker om erna door te slapen tot de volgende ochtend. Over het algemeen is één voeding in de nacht nog nodig, maar natuurlijk zijn er ook baby’s die daar geen behoefte aan hebben of juist niet voldoende hebben aan slechts één voeding.
Ieder kindje is anders en dat zie je vaak extra duidelijk terug wanneer het gaat over slapen en doorslapen. Waar het ene kindje al snel langere stukken achter elkaar slaapt, heeft het andere kindje veel meer behoefte aan voeding, nabijheid of hulp om weer verder te slapen. Om je een idee te geven waar die verschillen vandaan kunnen komen:
Temperament: waar het ene kindje heel volhardend is, is het andere kindje juist wat toegeeflijker. Ook de manier waarop kindjes dit laten zien verschilt enorm. De ene baby huilt heel hard en duidelijk, waardoor het snel ernstig klinkt, terwijl een ander kindje misschien wat zachter of minder intens huilt. Dat betekent alleen niet dat dit kindje minder behoefte heeft aan hulp of nabijheid van jou als ouder. Daarnaast reageert iedere ouder weer anders op de signalen van zijn kindje. De één springt direct uit bed, terwijl de ander eerst even afwacht. Zeker wanneer een baby wat ouder wordt, vanaf ongeveer 6 à 7 maanden, kunnen hierin verschillen ontstaan in hoeveel hulp een kindje nodig heeft om weer verder te slapen of uiteindelijk door te slapen.
Ontwikkeling: waar het ene kindje motorisch heel snel ontwikkelt, maakt het andere kindje juist grote sprongen op een ander gebied. Het kan dus heel goed zijn dat doorslapen voor jouw kindje simpelweg nog niet aan bod is gekomen. Vaak zie je ook dat baby’s die bovengemiddeld snel zijn in hun ontwikkeling juist langer nodig hebben om te leren slapen en doorslapen. Alsof hun lichaam en hoofd voortdurend bezig zijn met groeien, ontdekken en oefenen, waardoor slaap wat meer naar de achtergrond verdwijnt. Nieuwe vaardigheden, sprongen en indrukken kunnen daardoor tijdelijk veel invloed hebben op het slapen.
Voeding: in de eerste maanden groeit een baby enorm snel en daarbij hoort ook dat veel kindjes ’s nachts nog voeding nodig hebben. Hun lichaam vraagt simpelweg nog om energie om goed te kunnen groeien en ontwikkelen. Om uiteindelijk door te kunnen slapen, zal de behoefte aan voeding zich geleidelijk meer naar de dag moeten verplaatsen. Dat proces verloopt bij ieder kindje anders en daar heb je als ouder maar beperkt invloed op. Je bent hierin vooral afhankelijk van de ontwikkeling, groei en behoeften van je kindje.
Behoefte aan nabijheid: sommige kinderen blijven het liefst de hele dag dicht bij je in de buurt, terwijl andere kinderen van nature wat zelfstandiger zijn en minder behoefte hebben aan lichamelijk contact of bevestiging. Heb je een kindje dat veel behoefte heeft aan nabijheid, dan merk je vaak dat die behoefte ook ’s nachts nog aanwezig is. Je kindje kan dan wakker worden en jouw hulp, aanwezigheid of geruststelling nodig hebben om weer verder te kunnen slapen. Dat is geen verkeerde gewoonte of teken dat je iets fout doet, maar vaak simpelweg onderdeel van het karakter en de behoeften van jouw kindje.
Sprongetjes: in het eerste jaar gebeurt er ontzettend veel in de ontwikkeling van een baby. Al die nieuwe indrukken, vaardigheden en ontwikkelingen verwerkt een kindje grotendeels tijdens de slaap. Juist daarom zie je vaak dat baby’s rondom deze ontwikkeling, ook wel sprongetjes genoemd, tijdelijk onrustiger slapen. Dat is heel normaal en hoort bij de ontwikkeling. Wel kan het ervoor zorgen dat je kindje in deze periode meer behoefte krijgt aan nabijheid, hulp of geruststelling in de nacht. En wanneer zo’n fase wat langer duurt, kan die extra hulp ongemerkt het nieuwe ‘gewoon’ worden voor je kindje.
Slapen is op zichzelf al iets wat kindjes moeten leren. Waar het ene kindje deze vaardigheid vrij snel zelf onder de knie heeft, zal het andere kindje daar meer moeite mee hebben. Dat verschil is heel normaal.
In de eerste 6 maanden is het vooral belangrijk om te reageren wanneer je merkt dat je kindje moeite heeft met slapen. Baby’s zijn in deze periode namelijk nog niet in staat om zichzelf goed te troosten. Wanneer een baby langdurig moet huilen zonder reactie van een ouder, kan dat invloed hebben op de ontwikkeling en de hechting.
Gaat het slapen niet vanzelf en wil je hier graag hulp bij, dan kun je vanaf ongeveer 6 maanden starten met slaapcoaching. Samen met een slaapcoach ga je stap voor stap kijken hoe je jouw kindje kunt helpen om zelfstandig in slaap te vallen en uiteindelijk door te slapen.
De Gentle Sleep Coach methode is een vorm van slaapcoaching waarbij je er altijd bent voor je kindje en hem troost wanneer dat nodig is. Er wordt dus niet gewerkt met je kindje laten huilen of het negeren van verdriet. Juist door te reageren en nabij te blijven, leert je kindje stap voor stap nieuwe slaapvaardigheden aan in een safe en veilige omgeving. Op deze manier leert je kindje doorslapen, terwijl hij tegelijkertijd blijft ervaren dat hij altijd op jou als ouder kan vertrouwen wanneer hij je nodig heeft.
Dus laat je niet gek maken door verhalen van anderen of verwachtingen vanuit je omgeving. Uiteindelijk leren alle kindjes slapen, met of zonder wat extra hulp onderweg.
Doorslapen is voor ieder kindje anders en verloopt volledig in zijn eigen tempo. Waar sommige baby’s al vroeg lange nachten maken, hebben andere kinderen langer behoefte aan voeding, nabijheid of hulp om weer verder te slapen. Factoren zoals temperament, ontwikkeling, sprongen, voeding en behoefte aan contact spelen hierin allemaal een rol.
In de eerste maanden draait slapen vooral om veiligheid, troost en vertrouwen. Baby’s kunnen zichzelf dan nog niet goed reguleren en hebben hun ouders nodig wanneer slapen lastig is. Vanaf ongeveer 6 maanden kunnen kindjes stap voor stap leren om zelfstandiger te slapen en door te slapen.
Gaat dit niet vanzelf en wil je graag ondersteuning, dan kan slaapcoaching helpen. Met een zachte en liefdevolle aanpak, zoals de Gentle SleepCoach methode, leert je kindje nieuwe slaapvaardigheden terwijl jij er als ouder altijd voor hem blijft zijn.